Exclusief voor nieuwsbriefabonnees een nieuw verhaal van Lydia Davis
De nieuwe verhalen van Lydia Davis zijn soms letterlijk oneliners. Zoals Bloomington, dat in zijn geheel luidt: ‘Nu ik hier een tijdje ben, kan ik met een gerust hart zeggen dat ik hier nooit eerder ben geweest.’ Ook kan het verhaal een nauwgezette observatie zijn, of een klaagbrief; het kan ontleend zijn aan de correspondentie van Flaubert, of zijn inspiratie vinden in een droom. Wat niet varieert in De taal van dingen in huis is de kracht van het subtiel getoonzette proza. Davis is een scherp waarnemer; ze is ironisch, geestig of bijtend. Maar vooral is ze verfrissend.
Lees hier een nieuw kort verhaal:
Mijn zus en de koningin van Engeland
Uit De taal van de dingen in huis
Van Lydia Davis
Al vijftig jaar vit vit vit, en zeur zeur zeur. Wat mijn zus ook deed, het was nooit goed genoeg voor mijn moeder, en voor mijn vader ook niet. Ze verhuisde naar Engeland om er vanaf te zijn, en trouwde met een Engelsman, en toen die doodging trouwde ze met een andere Engelsman, maar dat was niet genoeg. Toen kreeg ze de Orde van het Britse Rijk. Mijn ouders vlogen naar Engeland en keken vanaf de andere kant van de balzaalvloer hoe mijn zus daar in haar eentje kwam aanlopen en bleef staan en met de koningin van Engeland praatte. Ze waren onder de indruk. Mijn moeder vertelde me in een brief dat niemand die die dag een onderscheiding kreeg zo lang met de koningin praatte als mijn zus. Dat verbaasde me niets, want mijn zus was nooit op haar mondje gevallen, bij welke gelegenheid dan ook. Maar toen ik mijn moeder later vroeg wat mijn zus aanhad, kon ze het zich niet erg goed herinneren – witte handschoenen en een soort tent, zei ze.
Vier leden van het Hogerhuis hadden mijn zus in hun maidenspeech genoemd, omdat ze zoveel voor de gehandicapten had gedaan en ze de gehandicapten, zei mijn moeder, net zo behandelde als iedereen. Ze praatte net zo met haar chauffeurs als met de Hogerhuisleden, en ze praatte net zo met de Hogerhuisleden als met de gehandicapten. Iedereen hield van haar, en niemand vond het erg dat haar huis een beetje rommelig was. Mijn moeder zei dat het huis nog steeds rommelig was, en mijn zus lette nog steeds niet op haar figuur, ze nodigde te veel mensen uit bij haar thuis, en ze liet de boter de hele dag buiten de ijskast staan, ze vertelde te veel over privézaken aan haar vriend, de Indiase kruidenier op de hoek, en ze praatte onophoudelijk, maar mijn vader en moeder beseften dat ze zich koest moesten houden, want hoe konden ze nu nog iets ten nadele van haar zeggen, ze had zoveel goeds gedaan, en werd zo bewonderd.
Ik ben trots op mijn zus, en ik ben blij voor haar vanwege de onderscheiding,
maar ik ben ook blij dat mijn vader en moeder voorlopig
het zwijgen is opgelegd, en dat ze haar voorlopig met rust
zullen laten, al denk ik niet dat dat lang zal duren, en ik vind het
jammer dat de koningin van Engeland daarvoor nodig was.


