Voorpublicatie nieuwe roman Vonne van der Meer

Op 12 september verschijnt Het smalle pad van de liefde, de nieuwe roman van bestsellerauteur Vonne van der Meer. Als voorproefje kunt u hieronder alvast het eerste hoofdstuk van haar nieuwe roman lezen!

 

 

 

 

 

 

Voorpublicatie Het smalle pad van de liefde

Hij moest naar zee. Dat er genoeg wind stond wist hij al voor het eerste bericht van een surfvriend in het scherm van zijn mobiel verscheen: ‘wind n/nw 18 knopen. Kun je weg?’

De dubbele ramen van zijn kantoor lieten geen zuchtje door. Ze keken uit op een binnenplaats, beplant met gladgeschoren buxushagen. Niet één ruisende boom die zijn bebladerde takken uitspreidde en fluisterde: Naar zee, naar zee met jou, Floris… Toch voelde hij het in al zijn vezels: mooie surfdag. Iedere keer wanneer hij uit een dossier opkeek naar de grijze lucht boven de daken waar de wolken elkaar achterna snelden, opjaagden maar nooit inhaalden, werd hij onrustiger, alsof hij koorts had. Een opwinding die werd versterkt door het besef dat hij niet weg kon, tot kwart voor vijf zat hij vast aan afspraken die al weken geleden gemaakt waren. ‘Don’t stop me now,’ zong Freddie Mercury in zijn hoofd, steeds smekender, dwingender. Gedachteloos stak Floris zijn pink in zijn mond en riste een nagel af.

Hij aarzelde tussen IJmuiden en Wijk… 18 knopen… Hij moest naar Wijk, zo snel mogelijk. Met deze noorderdeining was het daar perfect. Gisteravond was de wind al noordwest gedraaid, de golven had alle tijd gehad om zich op te bouwen. Goeie kans dat het de laatste keer was dit seizoen. Het was alweer half oktober, vanaf november ging hij het water niet meer in. Dan lagen planken en zeilen in plastic gewikkeld met touw eromheen voor lijk naast de schuur. Vanaf 1 november hield hij een winterstop, dat was de afspraak met Françoise, want dan koelde de zee snel af en werd de kans op kramp te groot. Dan waren er zelden andere surfers op het water, en wie moest hem dan helpen als hij ver uit de kust van zijn board sloeg en door kou bevangen raakte.

Hij zoog zijn onderlip over zijn tanden en kauwde een gevoel weg dat hij maar zelden had: heimwee naar de tijd dat hij nog vrijgezel was. Toen surfte hij de hele winter door, ook als de schuimvlokken langs de vloedlijn niet te onderscheiden waren van besneeuwde kammetjes stuifzand. Toen hoefde hij niet te schipperen met zijn tijd en ging hij niet gebukt onder een gemiste kans. Hij rechtte zijn rug, nee, het kwam niet door Françoise, of door hun gesprekken over verantwoordelijkheid en dat een vader niet gemist kon worden. Het was vanzelf gegaan, met de komst van de kinderen was hij voorzichtiger geworden. Toen hij Lucie, de haartjes nog vruchtwaternat, van zijn vrouws buik had getild en in zijn armen nam, voelde hij het in zich varen: ik wil voor jou zorgen zolang ik leef. Zolang jij me nodig hebt, mag ik niet dood. Vanaf die dag kwam hij ’s winters alleen nog op het strand om uit te waaien, en famille.

Floris klikte zijn agenda aan en staarde naar wat hij al wist: om halfvier had hij zijn laatste afspraak, een gesprek dat zelfs als hij de druk op de ketel hield zeker een uur duurde. Hij had die afspraak met opzet vroeg gepland om bijtijds thuis te zijn en vrouw en kinderen mee uit eten te nemen. Zeven jaar getrouwd alweer, dat moest gevierd. Alles wat maar even gevierd kon worden, vierden ze ook al was het midden in de week. Om halfzes zou hij Françoise en de kinderen in Oase treffen. Van surfen na kantoortijd tot het donker werd kon vandaag geen sprake zijn, no way, maar die laatste werkafspraak daar kon hij misschien toch wel onderuit. Hij herinnerde zich een flard van een telefoongesprek: zijn cliënt was getrouwd, vader van jonge kinderen. Vrouw wilde niet scheiden, hij wel en snel want zijn vriendin werd met de dag ongeduldiger. Hij ging hem afzeggen, uitstel was in dit geval geen plichtsverzuim, maar een morele daad. Zo kreeg de jonge vader nog wat tijd om af te koelen. Heus, ook voor zijn cliënt was het beter dat Floris vanmiddag ging surfen.

De witte pluimen uit de hoogovens aan de overkant dreven haaks op het Noordzeekanaal af. Er stond maar één auto op de parkeerplaats, een oud Volkswagenbusje. Waarschijnlijk was iedereen toch naar IJmuiden gegaan: met de dam bovenwinds had je daar minder last van de stroming. Hij hoopte op mooie golven en niet te veel wind, maar door dat ene busje twijfelde hij of hij wel goed gegokt had.

Met zijn hand boven de ogen tuurde hij over zee, maar vanaf de parkeerplaats kon hij de windkracht niet goed schatten. Meestal liepen hier wel een paar surfers rond die net uit het water kwamen en hem konden vertellen hoeveel wind er stond. Dan wist hij welk zeil hij op zijn board moest zetten de 5.3 of de 4.7. Als hij pas op zee ontdekte dat hij te zwaar in het zeil zat was het te laat. Dan moest hij weer het hele eind terug het strand over, langs de pier naar de auto om zijn materiaal aan te passen.

Met een paar treden tegelijk rende hij de stenen trap op, naar het uitzichtpunt. Het gebeurde vanzelf: zodra hij zee rook ging hij harder lopen. Nog voor hij boven was, keek hij al achterom en probeerde over de duinen heen te gluren hoe de zee er bij lag: prachtige lijnen, die vanuit het noordwesten binnendraaiden met kleine schuimkoppen. Hij rilde van plezier en kneep zijn ogen dicht, blind kon hij de kracht van de wind beter schatten: harde vijf, begin zes misschien. Hij wist wat hem te doen stond.

Op een drafje rende hij de trap weer af, voor hij bij de auto was, had hij zijn jack al opengeritst, zijn riem losgegespt, zijn horloge afgedaan en in zijn binnenzak opgeborgen. In gedachten ging hij het lijstje af: pak, trapeze, neerhalers om het zeil te spannen, mastvoet… Hij had zijn spullen zo haastig bij elkaar gegraaid dat hij nu twijfelde of hij niets vergeten was. Vlug opende hij de achterklep van de stationwagon, trok plank en mast eruit en legde ze naast de auto. Hij rolde het zeil uit, schoof de twee delen van de mast in elkaar en stak de mast in het zeil – handelingen die hij zo vaak had gedaan dat hij er niet meer bij nadacht. Alles liep gesmeerd, tot hij het zeil op spanning bracht en daarbij zoveel kracht zette dat het lijntje brak. ‘Fuck you, fucktouwtje,’ mompelde hij. Wanneer leerde hij nu eens dat materiaal kon slijten, ook, juist als het paar weken niet gebruikt werd?

Resoluut gooide hij het afgebroken stuk weg. Terwijl hij het restant, dat net lang genoeg was, door het katrol reeg, probeerde hij een ongeruste stem in zijn binnenste tot zwijgen te brengen. Ze klonk als zijn vrouw: het blijft een versleten touwtje, Floris, waag je niet te ver uit de kust. Weet ik, weet ik, had ik zelf ook al bedacht, antwoordde hij in gedachten. Hij kende zichzelf, bij een hoge sprong, als alles op scherp stond zou het door zijn hoofd spoken: een touwtje dat een keer gebroken is, kan nog eens kapot.

Alsof het een paard was dat hij bij het hoofdstel vasthield, waadde hij, hand aan de giek, door de opspattende golven de zee in. Op een mooie dag in het weekend wemelde het hier van de surfers, zwemmers, pootjebaders, kitesurfers. In een poging zo’n Icarus te ontwijken had hij vorig jaar zijn neus gebroken. Nu had hij alle ruimte. Zee, lucht, in alle schakeringen grijs, waar hij ook keek. Hij legde zijn plank halve wind, stapte erop en schoof zijn voeten in de banden. Meteen voelde hij de stootkracht van de wind en speerde hij over de eerste schuimkragen heen, weg van de kust. Een lege zee, helemaal voor hem alleen… Algauw liet hij de kust verder en verder achter zich, de pier werd een potloodstreepje, de betonblokken waren nu kiezelklein.

De eerste paar minuten voelde hij zich nog wat stijf. Iedere spier in zijn rug en elk onderdeel van zijn materiaal verzette zich. Het was alsof de banden om zijn voeten veel te strak zaten, en de trapeze waarmee hij op navelhoogte aan de giek zat vastgehaakt, voelde als een nauw colbert met alle knopen dicht. In het begin vocht hij nog met zijn zeil, was zijn board net een bokkig paard maar voor hij het wist – hij kon nooit voorspellen wanneer, waardoor – werd hij één met de plank. Hij ging wat dieper in zijn trapeze zitten, legde zijn hoofd in de nek en zoog zijn longen vol.

Tot in de top van de mast voelde hij nu wat de wind van hem wilde. De boogvormige giek was niet langer een vreemd element van koel metaal dat hij nu eenmaal vast moest houden, maar iets dat bij zijn lichaam hoorde, een extra rib die hem met het zeil verbond. Zijn board reageerde alert op het aanspannen van een spier, het buigen of strekken van een knie, een arm. Geen gedachten meer, geen bezorgde stemmen, hij hoorde alleen het suizen van de wind om zijn oren, het rillen van het zeil, het stuiteren – toef, toef, toef – van de plank over de golven. Dan de zachte bonk als het board na een sprong het water raakte, nee niet zijn board, hij zelf raakte het water, er was geen onderscheid, ze waren één. Als hij zeilde, had hij altijd het gevoel dat hij in een boot zat, als hij surfte, zat zijn vaartuig in hem.

Mooi, kijk daar, die steile golf… Wat een krul… Vraagt om een backloop, een achterwaartse salto. Afvallen, snelheid maken, door je knieën, trek het zeil aan. Omhooggestuwd door de golf, wordt hij de lucht in geschoten. Hoger en hoger klimt hij de wind in, boven het geruis van de zee uit. Op het hoogste punt, daar waar hij in de stilte hangt, kijkt hij achterom en ziet de schuimkoppen onder zich. Daar, precies daar, gaat hij landen.

En landde hij ook. Gelukt, goeie sprong! Die had hij alvast binnen, de middag kon niet meer stuk. Het was alsof het bloed schuimend door zijn aderen raasde. Over het geluid van de branding heen zong hij het enige lied van Freddie Mercury dat hij uit zijn hoofd kende, werd hij zelf een superster: so don’t stop me now…

Cause I am having a good time, having a good time
I am a shooting star leaping through the sky

Hij keek over zijn schouder, de pier was nu wel een heel vaag streepje, zowat uitgegumd. Gijpen en terug naar de kust tot het streepje weer pier werd. Wat een dag, juichte hij nog eens over het geraas van de golven heen. Zo voer hij wel tien rakjes, van de kust af en weer terug en hij zong tot hij schor was. Hij werd maar niet moe, kreeg het niet koud en of er een half, een heel uur of meer tijd verstreken was, wist hij niet. Zeetijd noemde hij dit, dat wat hij hier niet voorbij voelde tikken. Tijd die aan land vaak traag verstreek, bestond hier niet. Beter kon het leven niet worden.

Dat het later en later was geworden, besefte hij toen hij door de plastic uitsnede in het zeil Françoise en de kinderen op het strand ontdekte. Woensdagmiddag, ze was thuis geweest toen hij zijn surfspullen kwam halen. Of hij dan tenminste, alsjeblieft, bijtijds uit het water wilde komen, had ze gevraagd. Het was niet voor het eerst dat ze op het strand stond te kleumen. Zijn schoongespoelde hoofd stroomde weer vol gedachten. Hij was niet langer een ‘shooting star leaping through the sky’, maar vader, man van. De kleine Dédé, het dichtst bij de pier, plaste met witte kaplaarzen door de branding, ze schopte naar de schuimvlokken. Françoise, in haar rode wollen jas, stond een meter of tien van de pier af, een hand om de buggy van Björn, de andere boven haar ogen. Naast haar Lucie, hun oudste, met een stok tekende ze iets in het zand. Letters, vast, ze leerde net lezen en schrijven. Ook in een minder opvallende jas had hij zijn vrouw meteen herkend. Klein, frêle maar kaarsrecht stond ze daar, zijn Françoise, de moeder van hun drie kinderen. Aan haar schouder hing de tas met luiers voor de baby en boekjes en kleurpotloden zodat de meisjes zich in het restaurant niet hoefden te vervelen. Françoise liep op de zaken vooruit, dacht overal aan, ook aan de tijd, ja, zij wel. Om halfzes hadden ze in Oase afgesproken, het moest al veel later zijn, anders stond ze hier niet.

Dédé hobbelde naar de pier, zette haar voet op het onderste basaltblok. Françoise merkte het en riep haar. Ogenblikkelijk keerde hun dochter op haar schreden terug. Hij grinnikte, arme Dédé, deed niets liever dan als een berggeit omhoogklauteren. Niet ongevaarlijk want de reusachtige blokken basalt en beton lagen niet aaneengesloten maar schots en scheef, en tussen de stenen waren diepe spleten waar een kindervoet zo in bekneld kon raken.

Over het geraas van de branding heen hoorde hij af en toe Björn huilen, klagelijk als een meeuw. Met deze wind, het kon haast niet en toch hoorde hij het. Françoise draaide de buggy een kwartslag zodat de hoge rug van het karretje het kind nu uit de wind hield. Even later hoorde hij Björn weer, een schril kreetje, dat gesmoord werd door de wind. Zijn zoon had vast schoon genoeg van het stilzitten, eerst achter in de auto en nu weer in zijn karretje. Over het strand racen in zijn donkerblauwe karosje met de brede banden was Björns favoriete tijdverdrijf: buggyzeilen. Mama liet het karretje los, op de wind richting papa rijden; die duwde hem dan tegen de wind in terug, Sisyfus met kinderwagen. Terwijl hij vlug zijn plek weer innam, hield zij de kar nog even vast; pas als hij klaarstond, liet zij de beugel los, zodat Björn nog eens voortgedreven door de wind over het strand naar hem toe kon sjezen. Zo hard als dat ging, alsof zo’n buggy ervoor gemaakt was. Schitterend vond hij het, zijn windekind, Björn zonder vrees, surfer in spe. Misschien zouden ze straks nog even, om het goed te maken?

Nog altijd keurde Françoise hem geen blik waardig. Ze stond met haar rug half van hem afgekeerd over de buggy gebogen. Sprak ze Björn sussend toe of bevrijdde ze hem uit zijn gehate tuigje? In ieder geval roerde hun zoon zich niet meer. Eindelijk, ze draaide zich om… Vlug liet hij de giek los en zwaaide, en nu zwaaide Françoise terug. Het zwaaien werd wenken, een ongeduldig gebaar.

Ik doe mijn best, liefje, harder kan ik niet, nog een rakje afvallen en dan ben ik bij je.

Demonstratief tilde Françoise nu ook haar andere hand op en tikte op haar pols. Een donkere ribbeling trok over het water en op hetzelfde moment voelde hij de vlaag ook. Het was alsof hij opgetild werd, hij schoot vooruit, maar de sensatie die hem anders in extase bracht, deed hem nu verstijven: dezelfde wind die hem voortjoeg, dreef de kinderwagen naar de pier.

‘Françoise!’ schreeuwde hij op de toppen van zijn longen, ‘Françoise… Björn!’

Ze strekte haar hand uit naar de kinderwagen – een loos gebaar –, wierp haar tas van zich af, al rennende riep ze iets naar Dédé die zo snel ze kon door de golven van de vloedlijn naar de pier waadde om Björn de pas af te snijden. Maar de hoge rug van het karretje ving te veel wind. Dat redde ze nooit, iets anders moest de buggy tegenhouden, een stuk hout, een aangespoelde fles, een hoop schelpen… Draai wind, draai, ga liggen!

Hij kneep zijn ogen stijf dicht, en sperde ze weer open. Om beter te kunnen zien rechtte hij zijn rug, de plank reageerde meteen. Hij wilde de fout herstellen, maar kon geen vin meer verroeren. Alle kracht vloeide uit hem weg en terwijl hij dit voelde, sijpelde een warme straal langs de binnenkant van zijn benen. Een paar seconden stond hij zo, als verlamd, de blik strak op de pier gericht en zag het gebeuren. Toen trok het zeil hem met een ruk naar voren, uit zijn voetbanden en zag hij niets meer.

Binnen een paar tellen wist hij de trapeze van de giek te haken en zwom hij onder het zeil vandaan. Hij duwde de plank van zich af, keek opzij naar de pier, rechts van hem. Zijn ogen traanden van het zout, hij zag alles wazig: een rode vlek… bloed… Zoveel… vast niet, het was Françoise, op haar knieën naast de omgekiepte kinderwagen. En daar holde Lucie weg, naar de strandtent… om hulp te halen? Zo hard hij kon zwom hij door, knipperend, halfblind, naar het strand.

Gaandeweg werd zijn blik minder troebel. Françoise zat met haar rug naar de zee in het zand en wiegde Björn heen en weer. Haar jas had ze uitgetrokken en over hem heen gelegd. Zo nu en dan wierp ze het hoofd in de nek, maar het wiegen ging almaar door. Aan haar rug kon hij niet zien hoe Björn eraan toe was. Gaf ze hem maar een teken. Dédé stond iets verder weg, de handen voor het gezicht geslagen.

Hij spitste zijn oren, maar hoorde niets. Hij hoorde Björn niet huilen, zelfs niet heel zacht. Hoe kon het: zoveel geruis en tegelijk deze stilte. Driftig schudde hij zijn hoofd. Er zat water in zijn oren. Daardoor was hij zo doof. Dadelijk zou hij Björn horen, heus… Blijf kalm. Zwem door. Wanhoop niet.

Op zijn laatste krachten had hij de kust bereikt. Toen zijn voeten de bodem raakten, plopten zijn oren open. Plotseling was het er weer: het geraas van de nog altijd aanzwellende storm. Hij kantelde zijn hoofd, hield zijn oor in de richting van de pier. Maar al wat hij hoorde, was de holle ruis van de branding en om zijn oren het suizen van de schuldige wind.

 

*

 

Omtrent haar nieuwe roman zal Vonne van der Meer onder meer geïnterviewd worden door de VolkskrantDe Telegraaf en op tv bij Boeken met Wim Brands.  In onderstaand filmpje vertelt Van der Meer alvast over haar nieuwe boek.

 

Meer nieuws

  • Gezocht: stagiair bureauredactie non-fictie

    14 september 2021

    Wil jij ervaring opdoen bij onze uitgeverij en meewerken aan het uitgeven van onze prachtige boeken? Mail een motivatiebrief en cv aan Fieke Janse, fjanse@atlascontact.nl of Helen Zwaan, hzwaan@atlasc...

    Lees het hele bericht
  • Magazine De Club van Echte Lezers #7

    23 september 2021

    Een Echte Lezer heeft nooit genoeg boeken. Een Echte Lezer kijkt altijd in andermans boekenkast. Een Echte Lezer verdwijnt het liefst in een boek.   Herkenbaar? Dan is dit magazine echt iets v...

    Lees het hele bericht
  • Vijf auteurs van Atlas Contact te gast bij ILFU 2021

    21 september 2021

    Van 23 september tot 2 oktober is het International Literature Festival Utrecht (ILFU) en maar liefst vijf auteurs van Atlas Contact zijn te gast: Jeanette Winterson, Ayaan Hirsi Ali, Rebekka de Wit, ...

    Lees het hele bericht

Leestips ontvangen?

Altijd op de hoogte van het laatste nieuws over boeken, schrijvers en activiteiten? Meld je dan hier aan voor onze maandelijke nieuwsbrief.

Schrijf je in

Agenda