Voorpublicatie uit ‘De kleurloze Tsukuru Tazaki en zijn pelgrimsjaren’
Op 12 januari 2014, de 65e verjaardag van Haruki Murakami, verschijnt diens nieuwste roman: De kleurloze Tsukuru Tazaki en zijn pelgrimsjaren. Hieronder zijn de eerste pagina’s van het boek al te lezen!
1
Vanaf juli van zijn tweede jaar aan de universiteit tot januari
van het jaar daarop was er geen moment van zijn leven dat
Tsukuru Tazaki niet aan de dood dacht. Gedurende die tijd
werd hij twintig en dus officieel volwassen, maar die gewichtige
dag had geen speciale betekenis voor hem. Al die dagen
kwam het idee om zelf een eind aan zijn leven te maken hem
voor als het meest natuurlijke en logische wat hij kon doen.
Ook nu begrijpt hij nog niet goed waarom hij die beslissende
stap nooit heeft gezet. Destijds had hij het makkelijker gevonden
de drempel tussen leven en dood te overschrijden
dan om een rauw ei door zijn keel te gieten.
Misschien heeft Tsukuru nooit echt geprobeerd zelfmoord
te plegen omdat zijn ideeën over de dood zo zuiver en intens
waren dat hij niet in staat was de manieren om die dood te
bewerkstelligen te verzoenen met het concrete beeld in zijn
hart. Eigenlijk was die concreetheid maar bijzaak. Als er in
die dagen een deur binnen zijn handbereik was geweest die
hem toegang had verleend tot de dood, had hij die zonder
een ogenblik te aarzelen opengeduwd. Zonder er verder diep
over na te denken – als een voortzetting van het dagelijkse
leven, zogezegd. Maar gelukkig (of niet) was hij er niet in geslaagd
zo’n deur in zijn omgeving te ontdekken.
Misschien was het beter geweest als ik toen was gestorven,
denkt Tsukuru Tazaki vaak. Dan had deze wereld nu niet be6
staan. Dat lijkt hem een bijzonder aantrekkelijk idee: dat deze
wereld niet bestaat en de dingen die hij nu als werkelijkheid
beschouwt niet langer werkelijk zijn. Dat om dezelfde reden
waarom hij niet langer voor deze wereld bestaat, deze wereld
niet langer voor hem bestaat.
Maar tegelijkertijd kan hij er echt niet bij waarom hij in die
tijd de dood zo dicht moest naderen dat het maar een haar
had gescheeld of hij was over de rand gestapt. Goed, hij had
een concrete aanleiding gehad, maar waarom had hij zich zo
tot de dood aangetrokken gevoeld dat hij zich er bijna een
halfjaar lang nauwelijks van los had kunnen rukken? Het was
of de dood hem al had opgeslokt. Precies! Dat was de uitdrukking
waar hij naar zocht: ‘opgeslokt’. Net zoals die figuur
uit de Bijbel die door een walvis was opgeslokt en een tijd in
diens buik had geleefd, was Tsukuru in de maag van de dood
gevallen en had hij een tijdlang moeten doorbrengen in die
donkere, verstikkende holte waar dag en nacht niet bestaan.
Al die tijd had hij geleefd als een slaapwandelaar, of als een
dode die zelf nog niet beseft dat hij dood is. Als de zon opkwam
werd hij wakker, poetste hij zijn tanden, trok hij de
eerste de beste kleren aan die hij zag, pakte hij de trein naar de
campus en maakte hij notities tijdens zijn colleges. Maar hij
volgde dit tijdschema alleen maar omdat het er was, net zoals
iemand zich tijdens een harde storm aan de dichtstbijzijnde
lantarenpaal vastklampt om niet omver te worden geblazen.
Hij sprak alleen met anderen als hij er niet onderuit kon, en
zodra hij terug was in zijn flat, waar hij in z’n eentje woonde,
zakte hij neer op de vloer met zijn rug tegen de muur en liet
hij zijn gedachten gaan over de dood of over wat hij miste in
zijn leven. Vlak voor zijn ogen gaapte een enorme afgrond,
die directe toegang gaf tot het midden van de aarde. Daar zag
hij de harde wolk van het kolkende Niets en hoorde hij een
Stilte zo zwaar dat zijn trommelvliezen eronder bezweken.
Als hij niet aan de dood dacht, dacht hij aan niets. Aan
niets denken was helemaal niet moeilijk. Hij las geen kranten,
luisterde niet naar muziek, verlangde zelfs niet naar seks.
Wat er in de wereld gebeurde interesseerde hem niet. Als hij
het zat werd om op zijn kamer opgesloten te zitten, ging hij
naar buiten om wat in de buurt rond te slenteren. Of hij ging
op een bank op het station zitten om urenlang te staren naar
de treinen die af en aan reden.
Elke ochtend nam hij een douche en waste hij zorgvuldig
zijn haar, en twee keer per week deed hij de was. Hygiëne was
een andere paal waarbij hij steun zocht: de was doen, douchen,
tandenpoetsen. Hij besteedde nauwelijks aandacht aan
wat hij at. Lunchen deed hij in de mensa van de universiteit,
maar verder kreeg hij nauwelijks een behoorlijke maaltijd
binnen. Als hij een leeg gevoel in zijn maag had, knabbelde
hij aan een appel of wat groente die hij in de supermarkt
om de hoek had gekocht. Of hij kocht een pak witbrood en
at dat zo op, zonder boter of beleg, met melk direct uit het
pak. Tegen bedtijd dronk hij een glaasje whisky, bij wijze van
medicijn. Gelukkig kon hij slecht tegen alcohol, dus een kleine
hoeveelheid was al voldoende om hem de slaap te doen
vatten. Destijds droomde hij nooit. Als hij al dromen had,
glibberden die zodra ze de kop opstaken over de gladde, geen
enkel houvast biedende helling van zijn bewustzijn het domein
van het Niets tegemoet.
De reden waarom Tsukuru Tazaki zich zo sterk tot de dood
voelde aangetrokken was overduidelijk. Op een dag werd
hem opeens verteld dat de vier personen met wie hij tot dat
moment lange tijd de beste vrienden was geweest niets meer
met hem te maken wilden hebben. Keihard. Recht in zijn gezicht.
We willen je niet meer horen, en we willen je niet meer
zien. Zomaar ineens. Zonder dat er een reden voor dat harde
vonnis werd gegeven. En hijzelf had niet het lef te vragen
waarom.
Tsukuru was met dit viertal bevriend geweest sinds de middelbare
school, maar hij was al uit zijn geboorteplaats vertrokken
om in Tokyo te gaan studeren. Toen hij uit de groep
werd getrapt, bracht het zijn dagelijkse leven dus niet in de
war. Hij hoefde bijvoorbeeld niet bang te zijn dat hij hen op
straat tegen het lijf zou lopen. Maar dat is alleen maar logisch
geredeneerd. Het feit dat zijn vier vrienden zo ver bij hem
vandaan woonden maakte de pijn die hij voelde juist erger en
indringender. Zijn uitstoting en isolement werden een kabel
van honderden kilometers lang die door een reusachtige lier
langzaam maar onophoudelijk strakker werd gespannen. En
door die tot brekens toe strakgespannen lijn bereikten hem
dag en nacht berichten die niet te ontcijferen waren. Hun geluid
sneed in zijn oren, nu eens harder, dan weer zachter, zoals
de wind die tussen de bomen huilt.
De vijf – drie jongens en twee meisjes – zaten in dezelfde klas
van een openbare middelbare school in een voorstad van
Nagoya. Ze waren bevriend geraakt toen ze in de vierde klas
gezamenlijk hadden deelgenomen aan hetzelfde vrijwilligersproject,
en hoewel ze het volgende schooljaar allemaal in
een andere klas werden gezet, was de groep van vijf gewoon
bij elkaar gebleven. Het vrijwilligersproject was begonnen als
schoolwerk voor maatschappijleer dat ze tijdens de zomervakantie
moesten doen, maar toen de vakantie voorbij was,
was de groep op eigen houtje met het project doorgegaan.
Behalve dat vrijwilligersproject deden ze ook andere dingen
samen. Op vrije dagen maakten ze trektochten of speelden
ze tennis, of ze gingen naar het strand van het Chitaschiereiland,
of ze gingen met z’n allen bij een van hen thuis
blokken voor een proefwerk. Of (en dat gebeurde eigenlijk
het meest) ze kwamen gewoon bij elkaar zonder een bepaalde
plaats uit te kiezen en bleven urenlang kletsen, zonder van
tevoren een onderwerp te bepalen, en zonder dat ze ooit uitgepraat
raakten.
Ze waren eigenlijk door het toeval bij elkaar gebracht. Er
waren verscheidene vrijwilligersprojecten waaruit ze konden
kiezen, en een daarvan was helpen bij de begeleiding van
lagere scholieren (onder wie veel schoolweigeraars) die niet
goed mee konden komen in de klas en daarom buitenschoolse
opvang nodig hadden. Die vond plaats in een katholiek
schooltje. Van de vijfendertig leerlingen in hun klas waren zij
vijven de enigen die zich voor dit project hadden aangemeld.
Ze namen deel aan een driedaags zomerkamp in de buurt
van Nagoya en werden op die manier de beste maatjes met de
kinderen.
Als ze daar tussen de kampactiviteiten door even de tijd
voor hadden, voerden ze openhartige gesprekken, en zo
leerden ze elkaars karakter en manier van denken kennen.
Ze vertelden elkaar over hun dromen voor de toekomst en
praatten eerlijk over de problemen waar ze mee worstelden,
en toen het zomerkamp achter de rug was, hadden ze elk het
idee dat ze ‘nu, op de juiste plaats, de juiste vrienden hadden
gevonden’. Elk had de andere vier nodig, en de andere vier
waren incompleet zonder nummer vijf. Het was een soort
harmonie. Je zou het kunnen vergelijken met een scheikun10
dige fusie die door louter toeval tot stand is gekomen: je kunt
dezelfde materialen klaarleggen en dezelfde voorbereidingen
nog zo zorgvuldig herhalen, maar de kans dat je ooit hetzelfde
resultaat krijgt staat waarschijnlijk gelijk aan nul.
Daarna gingen ze ongeveer twee keer per maand tijdens
het weekend naar het bso-instituut om de kinderen te helpen
met hun huiswerk, hun voor te lezen of samen met hen
wat te sporten. Ze maaiden het grasveld, schilderden de muren
van de school en repareerden de wippen en de schommels.
Dat hielden ze zo tweeënhalf jaar vol, tot het eind van
de middelbare school.
Het enige wat van het begin af aan misschien een zeker element
van spanning met zich meedroeg was het feit dat de
groep bestond uit drie jongens en twee meisjes. Als twee van
de jongens en de twee meisjes bijvoorbeeld paartjes zouden
vormen, liep de derde jongen er een beetje bij. Die mogelijkheid
moet hun altijd boven het hoofd hebben gehangen, als
een kleine, vastomlijnde regenwolk. Maar in feite had het
nooit problemen opgeleverd. In de verste verte zelfs niet.
Ook dit is waarschijnlijk niet meer dan toeval, maar alle vijf
kwamen ze uit gezinnen die tot de voorstedelijke hogere
middenklasse behoorden. Hun ouders waren allemaal van de
babyboomgeneratie, en hun vaders oefenden een vrij beroep
uit of hadden een leidinggevende functie in een vooraanstaand
industrieel bedrijf. Voor de opleiding van hun kinderen
werd niet op een paar centen gekeken. Hun gezinsleven
was kalm en vredig – althans van buitenaf gezien: geen van
hun ouders was gescheiden, en hun moeders waren grotendeels
thuis. Omdat hun school erom bekendstond dat de
leerlingen er werden klaargestoomd voor de toelatingsexa11
mens van gerenommeerde universiteiten, waren hun cijfers
over het algemeen hoog. Wat hun dagelijkse levensomstandigheden
betreft hadden ze veel meer gemeen dan dat ze van
elkaar verschilden.
Afgezien van Tsukuru Tazaki hadden ze door een stom
toeval nog iets met elkaar gemeen: hun achternamen bevatten
allemaal een kleur. De twee jongens heetten Akamatsu en
Ōmi – Rodeden en Blauwezee –, en de twee meisjes Shirane
en Kurono – Wittewortel en Zwarteveld. Alleen de naam Tazaki
– Veelpunt – had niets met kleuren te maken. Aanvankelijk
voelde Tsukuru zich daardoor enigszins buitengesloten.
Natuurlijk zegt het al dan niet hebben van een kleur in je
naam helemaal niets over je persoonlijkheid – dat hoefde je
hem niet te vertellen. Maar hij vond het gewoon jammer, en
tot zijn eigen verbazing voelde hij zich zelfs gekwetst, en niet
zo’n klein beetje ook. De anderen spraken elkaar meteen aan
met de kleur van hun naam, alsof het de natuurlijkste zaak
van de wereld was: als ‘Blauwe’ en ‘Rooie’, ‘Witje’ en ‘Zwartje’.
Alleen hij bleef gewoon ‘Tsukuru’. Wat zou het fijn zijn als ik
ook een achternaam had gehad met een kleur erin, had hij
vaak genoeg gedacht. Dan was alles perfect geweest.
De Rooie haalde verreweg de beste cijfers van hen allemaal.
Hoewel hij er geen speciale moeite voor leek te doen, stak hij
in alle vakken met kop en schouders boven de rest uit. Toch
liet hij zich daar niet op voorstaan. Hij deed eerder een stapje
terug, om de anderen niet voor het hoofd te stoten. Het leek
wel of hij zich ervoor schaamde dat hij met zo’n uitstekend stel
hersens was uitgerust. Maar wat je vaker ziet bij kleine mensen
(hij is nooit langer geworden dan een meter zestig): als
hij zich eenmaal iets had voorgenomen, al was het nog zoiets
onbenulligs, gaf hij het niet gauw op. Hij kon zich geweldig
opwinden over stompzinnige regels en stomme leraren. Hij
had er een hekel aan om te verliezen, en als hij bij een tenniswedstrijd
niet kon winnen, kreeg hij een humeur om op
te schieten. Niet dat hij de winnaar afkraakte, maar dan zei
hij nauwelijks een woord. De andere vier hadden de grootste
lol om zijn opvliegendheid en staken er de draak mee, tot
de Rooie uiteindelijk zelf met hen meelachte. Zijn vader was
hoogleraar economie aan de Universiteit van Nagoya.
De Blauwe was forward in het rugbyteam, en in de derde
klas werd hij zelfs aanvoerder. Zijn lichaamsbouw liet niets te
wensen over. Hij was voornamelijk in de breedte gebouwd:
schouders, borstkas, voorhoofd, mond, zelfs zijn neus – alles
aan hem was even fors en gespierd. Op het veld was hij
een doordouwer, en hij zat dan ook voortdurend onder de
schaafwonden. Braaf en vlijtig studeren lag hem niet erg,
maar hij was opgeruimd van aard en de meesten mochten
hem graag. Hij keek de mensen recht in de ogen en sprak
hen met duidelijk verstaanbare stem aan. Zijn eetlust was ongelofelijk,
en alles smaakte hem even lekker. Hij sprak zelden
kwaad van iemand en had een ijzersterk geheugen voor
namen en gezichten. Hij luisterde goed naar wat de mensen
tegen hem zeiden, en hij was er een kei in om iedereen in de
juiste stemming te brengen. Tsukuru herinnert zich ook nu
nog goed hoe de Blauwe voor een wedstrijd zijn teamgenoten
in een kring bij elkaar riep om ze moed in te spreken.
‘Wij gaan dit winnen!’ riep hij. ‘De vraag is alleen maar
hoe, en met hoeveel! Aan verliezen denken we niet eens! Begrepen,
iedereen? Verliezen – daar doen we niet aan!’
‘Daar doen we niet aan!’ schreeuwden alle spelers in koor
voor ze het veld op stormden.
Het rugbyteam van hun middelbare school was echter niet
bijzonder sterk. De Blauwe mocht dan een slimme, fysiek
begenadigde speler zijn, maar de rest van zijn team was van
een grauwe middelmaat. Als ze tegen de sterke teams van de
particuliere middelbare scholen moesten spelen, die atletiekbeurzen
beschikbaar stelden om topatleten uit het hele land
aan te trekken, werden ze vaak genoeg ongenadig ingemaakt.
Maar als de wedstrijd eenmaal achter de rug was, zat de Blauwe
er niet zo mee of ze hadden gewonnen of verloren. ‘Het
gaat erom of de wil om te winnen er was,’ zei hij altijd. ‘In het
werkelijke leven win je ook niet altijd. Soms win je, en soms
verlies je.’
‘En soms wordt de wedstrijd uitgesteld omdat het regent,’
zei Zwartje, de cynicus van de groep.
De Blauwe schudde triest zijn hoofd.
‘Jij bent in de war met honkbal en tennis. Rugby wordt
nooit van z’n leven uitgesteld om een beetje water.’
‘Spelen jullie dan ook als het regent?’ vroeg Witje verbaasd.
Zij had geen enkele belangstelling voor sport en wist er zo
mogelijk nog minder van.
‘Jazeker,’ deed de Rooie er op overtuigende toon een schepje
bovenop. ‘Al valt de regen met bakken uit de hemel, een
rugbywedstrijd gaat altijd door. Vandaar dat er elk jaar tijdens
wedstrijden zoveel rugbyspelers verdrinken.’
‘Maar dat is verschrikkelijk!’ huiverde Witje.
‘Stomkop! Je snapt toch meteen dat dat een grapje was?’
verzuchtte Zwartje, verbijsterd door zoveel naiviteit.
‘We zijn even van het onderwerp afgedwaald,’ zei de Blauwe,
‘maar wat ik bedoel is dat de manier waarop je verliest
ook bij sport hoort.’
‘Ja, daarom oefen jij zeker zo hard elke dag?’ zei Zwartje.
Witje had het fijne gezichtje van een ouderwetse Japanse
pop en het slanke lichaam van een fotomodel. Haar haren waren
lang en sluik en glansden als zwart lakwerk. Als ze over
straat liep, keken veel voorbijgangers onwillekeurig even om.
Zelf wekte ze echter de indruk dat ze met haar schoonheid
niet goed raad wist. Met haar bloedserieuze karakter hield ze
er niet van om de aandacht te trekken. Ze speelde buitengewoon
mooi piano, maar als er vreemden bij waren, kon je haar
er niet toe krijgen om een stukje te laten horen. Alleen als ze
de kinderen na school pianoles gaf, was ze anders. Dan had ze
oneindig veel geduld en was ze zichtbaar gelukkig. Tsukuru
had haar nergens anders zo stralend zien kijken. Ze beweerde
steeds dat sommige kinderen misschien geen aanleg hadden
om ‘gewoon’ te leren, maar toch een natuurlijke muzikale
begaafdheid bezaten, en dat het zonde was om die verloren
te laten gaan. Maar het bso-instituut had alleen een huiskamerpiano,
die zo oud was dat hij bijna antiek mocht worden
genoemd. Daarom begonnen de vijf enthousiast aan een inzamelactie
om een nieuwe vleugel te kopen. Tijdens de zomervakantie
namen ze allemaal een bijbaantje, en ze bezochten
een fabriek van muziekinstrumenten om daar om medewerking
te vragen. Het resultaat van al hun inspanningen was dat
die vleugel er uiteindelijk ook kwam. Dat was in de lente van
hun laatste schooljaar. Hun activiteiten trokken op den duur
zoveel aandacht dat ze zelfs de krant haalden.
Witje zei normaal niet veel, maar ze hield erg van dieren,
en als het gesprek over honden of poezen ging, klaarde haar
gezicht helemaal op en praatte ze honderduit. Zelf zei ze dat
ze ervan droomde om dierenarts te worden, maar Tsukuru
kon zich Witje niet voorstellen met een mes in haar hand, de
buik van een labrador opensnijdend, of met haar arm in het
achterwerk van een paard. En tijdens een opleiding dierge15
neeskunde zul je zoiets tijdens practica vaak genoeg moeten
doen. Witjes vader was gynaecoloog en had zijn eigen kliniek
in de binnenstad van Nagoya.
Zwartjes uiterlijk was hooguit iets aantrekkelijker dan gemiddeld,
maar haar gezicht was altijd vol leven, en dat verleende
haar een bijzondere charme. Ze was flink uit de kluiten
gewassen, en al vanaf haar zestiende waren haar borsten goed
ontwikkeld. Haar onafhankelijkheidszin was niet minder
groot. Ze liet niet met zich sollen en was niet op haar mondje
gevallen, en haar hersens maakten evenveel toeren als haar
tong. Hoewel haar cijfers voor de alfavakken uitstekend waren,
hadden ze voor wis‑ en natuurkunde nauwelijks slechter
gekund. Haar vader was belastingconsulent in het centrum
van Nagoya, maar het zag er niet naar uit dat hij op kantoor
ooit iets aan haar zou hebben. Tsukuru hielp haar vaak met
haar wiskundehuiswerk. Al kon Zwartje soms ontstellend
sarcastisch uit de hoek komen, toch had ze een heel eigen,
verfrissend gevoel voor humor, en hij vond het altijd leuk en
stimulerend om met haar te praten. Ze las alles wat los‑ en
vastzat en liep altijd rond met een boek in haar handen.
Omdat Zwartje en Witje ook in de onderbouw van de middelbare
school bij elkaar in de klas hadden gezeten, kenden
ze elkaar al goed voor de groep van vijf was gevormd. Het
was een plaatje om die twee naast elkaar te zien staan: de artistiek
begaafde maar in zichzelf gekeerde schoonheid, en de
intelligente, cynische comédienne – een even unieke als aantrekkelijke
combinatie.
Goed beschouwd was Tsukuru Tazaki de enige in de groep
zonder iets wat meteen opviel. Zijn cijfers waren net iets beter
dan gemiddeld. Hij had geen speciale belangstelling voor
leren als zodanig; hij lette alleen goed op tijdens de les, deed
altijd het minimum aan voorbereidingen en repeteerde zijn
lessen braaf. Dat was een gewoonte die hij zich van jongs af
aan had aangewend, al moest je hem niet vragen waarom.
Het was net zoiets als je handen wassen voor het eten en je
tanden poetsen erna. Al waren zijn cijfers daarom nooit opzienbarend,
voor alle vakken haalde hij altijd wel een dikke
voldoende. Zolang hij er niet met de pet naar gooide, deden
zijn ouders dan ook niet moeilijk over zijn resultaten op
school: ze stuurden hem niet naar een bijlesinstituut, en ze
gaven hem ook geen privéleraar om hem thuis wat bij te spijkeren.
Hoewel hij geen hekel had aan sport, werd hij op school
geen lid van een sportclub. Af en toe speelde hij een partijtje
tennis met familie of vrienden, of hij ging skiën, of zwemmen
in het zwembad. Maar dat was het wel zo’n beetje. Hij had
een vrij knap gezicht, en nu en dan zeiden de mensen dat ook
tegen hem, maar dat betekende niet meer dan: ‘Het is geen
absolute ramp.’ Vaak als hij zijn eigen gezicht in de spiegel bekeek,
vond hij zichzelf een toonbeeld van bijna hopeloze saaiheid.
Hij was niet bijzonder geinteresseerd in kunst, hij had
geen specifieke hobby’s, er was niets waar hij echt in uitblonk.
En laten we er maar eerlijk over zijn: hij kwam niet goed uit
zijn woorden, bloosde gauw, had weinig sociale vaardigheden,
en voelde zich slecht op zijn gemak in aanwezigheid van
mensen die hij voor het eerst ontmoette.
Als er al iets was waarin hij zich van zijn vrienden onderscheidde,
dan was het dat zijn ouders waarschijnlijk iets
welgestelder waren dan die van de anderen, en dat een zus
van zijn moeder een bekende actrice was – niet wat je noemt
‘beroemd’, maar ze had in de loop der jaren een bescheiden
reputatie opgebouwd. Maar wat Tsukuru zelf betreft, die had
niet echt iets waarop hij kon roemen, niets waarvan je zeggen
kon: ‘Kijk nou eens!’ Althans, dat gevoel had hij van zichzelf.
Alles aan hem was gemiddeld. Alle kleuren waren flets.
De enige hobby – als je het zo kunt noemen – die Tsukuru
Tazaki had, was stations observeren. Hij wist zelf niet waarom,
maar vanaf het ogenblik dat hij zich bewust werd van de
wereld om hem heen, was hij gefascineerd geweest door stations.
Of het nu een reusachtig shinkansen-station was, een
plattelandsstationnetje langs een enkelspoor of een eindeloos
lang eindstation voor goederentreinen; als het maar een station
was, was hij tevreden. Alles wat met stations te maken
had, oefende een onweerstaanbare aantrekkingskracht op
hem uit.
Als kleine jongen werd hij net zoals zoveel kinderen geboeid
door modeltreinen, maar in zijn geval ging zijn aandacht
niet uit naar knap nagebouwde locomotieven of passagierswagons,
of naar spoorbanen met allerlei complexe
wisselsystemen die zich tientallen meters uitstrekten door
stijlvol vervaardigde landschappen, maar naar de modellen
van gewone stations. Hij hield ervan om te zien hoe de treintjes
zulke stationnetjes passeerden, of hoe ze langzaam vaart
minderden, om dan precies bij dát stationnetje te stoppen.
Dan zag hij de passagiers in drommen in‑ en uitstappen en
hoorde hij de aankondigingen door de luidsprekers en de bel
die rinkelde als er weer een trein vertrok, en hij zag het stationspersoneel
bedrijvig heen en weer lopen. Soms smolten
verbeelding en realiteit zo samen dat hij begon te trillen van
opwinding. Maar waarom hij zo van stations hield was iets
wat hij niet op een overtuigende manier aan de volwassenen
om hem heen kon uitleggen. En zelfs als hij dat had gekund,
hadden ze hem vast een mal joch gevonden. Ook Tsukuru
zelf vermoedde soms dat hij ergens misschien wel ‘een beetje
raar’ was.
Dus hoewel hij geen opvallende persoonlijkheid was en
geen speciale kenmerken bezat, en ondanks zijn neiging om
in alles de gulden middenweg aan te houden, had hij (blijkbaar)
toch iets wat je niet helemaal normaal kon noemen.
Dat tegenstrijdige beeld van zichzelf zou hem tussen zijn tienerjaren
en zijn zesendertigste – nu dus – nogal wat verwarring
en onzekerheid bezorgen. Soms subtiel, soms behoorlijk
ingrijpend.
Af en toe begreep Tsukuru zelf niet waarom zijn vrienden
hem in de groep hadden opgenomen. Hadden ze hem echt
nodig, in de werkelijke betekenis van het woord? Konden
ze niet veel meer plezier hebben als hij er níét bij was? Misschien
wisten ze dat gewoon nog niet. Maar was het dan geen
kwestie van tijd voor ze daarachter kwamen? Hoe meer hij
erover nadacht, hoe minder Tsukuru Tazaki ervan begreep.
Proberen je eigen waarde te bepalen is net zoiets als iets wegen
wat geen meetbare eenheden heeft. De naald houdt niet
met een klikje op één plaats stil.
De andere vier leken daar echter helemaal niet mee te zitten.
Voor zover Tsukuru kon zien, genoten ze werkelijk als
ze met z’n allen iets ondernamen. Vijf was voor hen het ideale
aantal. Meer had niet gemogen, minder ook niet. Het was
net als bij een perfecte vijfhoek, die alleen te verkrijgen is als
alle zijden volledig gelijk zijn. Dat las je duidelijk van hun
gezichten af.
En natuurlijk was Tsukuru Tazaki blij en ook trots dat hij
een onmisbaar deel van die vijfhoek mocht uitmaken. Hij
was dol op zijn vier vrienden, en hij hield zielsveel van het
gevoel van eenheid dat de groep hem gaf. Zoals een jonge
boom mineralen opzuigt uit de grond, zo ontving Tsukuru
van de groep de geestelijke voeding die hij in zijn puberteit
nodig had, en die gebruikte hij om op te groeien, of hij sloeg
haar in zijn lichaam op als een bron van energie voor tijden
van nood. Toch leefde er altijd in de grond van zijn hart de
vrees dat hij ooit deze hechte broederschap zou moeten verlaten
– dat hij eruit zou vallen of zou worden gestoten, aan
zijn lot zou worden overgelaten. Van de anderen te worden
gescheiden, alleen te blijven – als een donkere, onheilspellende
rots die alleen zichtbaar is bij eb, stak dat verontrustende
beeld telkens weer de kop op.



