Met een fijnzinnig oor voor wat voorbijgaat, bezingt Koen Stassijns het leven in al zijn kwetsbaarheid. Liefde, afscheid, ouder worden en gemis krijgen gestalte in toegankelijke, muzikaal klinkende verzen die lang nazinderen.
Met bijzondere tederheid schrijft hij over vrouwen die zijn levenspad hebben gekruist. In de cyclus ‘Drie meisjes’ verkent hij op indringende wijze de pijn van verbroken ouder-kindrelaties en doorbreekt hij een hardnekkig taboe. De slotgedichten vormen een ontroerend eerbetoon aan hen die hij moet missen en in herinnering en taal blijven voortleven.